Vocabulario
Filtros1
Secciones
Categorías gramaticales
156 palabras · página 4 de 7
zittenblijvenB2
repetir curso
Zittenblijven helpt niet altijd.
zoA1
así
Doe het zo.
zodatB2
de modo que
Schrijf duidelijk, zodat iedereen het begrijpt.
zodoendeB2
de este modo
Hij mist veel lessen en blijft zodoende achter.
zoekenA2
buscar
Ik zoek mijn sleutels.
zoekopdrachtB2
consulta de búsqueda
Verfijn je zoekopdracht met een extra woord.
zoetA2
dulce
Deze appel is heel zoet.
zolderA1
desván
De oude spullen liggen op zolder.
zomerA1
verano
In de zomer gaan we naar het strand.
zonB1
sol
De zon schijnt eindelijk.
zondagA1
domingo
Zondag zijn veel winkels dicht.
zonderA1
sin
Koffie zonder suiker, alstublieft.
zonlichtB1
luz solar
De kamer krijgt veel zonlicht.
zonne-energieB1
energía solar
Wij wekken zelf zonne-energie op.
zonnepaneelB2
panel solar
Steeds meer huizen hebben zonnepanelen.
zonneparkB2
parque solar
Het zonnepark ligt naast de snelweg.
zonsondergangB1
puesta de sol
We keken naar de zonsondergang op het strand.
zonsopgangB1
amanecer
In de zomer is de zonsopgang heel vroeg.
zonurenB2
horas de sol
Deze maand telde weinig zonuren.
zonweringB2
protección solar
Met zonwering blijft het binnen koel.
zoogdierB2
mamífero
De vleermuis is het enige vliegende zoogdier.
zoomB2
dobladillo
De zoom van de broek is te lang.
zoonA1
hijo
Hun zoon gaat naar school.
zorgaanbodB2
oferta asistencial
Het zorgaanbod in de regio is beperkt.
zorgafspraakB1
cita asistencial
Ik moet mijn zorgafspraak verzetten.

