Vocabulario
73 palabras · página 1 de 3
waarA1
dónde
Waar woon je?
waardeA2
valor
De waarde van het huis is gestegen.
waaromA1
por qué
Waarom kom je niet?
waarschijnlijkA2
probablemente
Hij komt waarschijnlijk te laat.
wachtenA2
esperar
Ik wacht al een half uur.
wachtkamerA2
sala de espera
Neemt u plaats in de wachtkamer.
wachtwoordA2
contraseña
Ik ben mijn wachtwoord vergeten.
wandelenA1
pasear
We gaan zondag wandelen.
wangA1
mejilla
Haar wangen zijn rood van de kou.
wanneerA1
cuándo
Wanneer begint de les?
wantA1
porque
Ik blijf thuis, want ik ben ziek.
warmA1
caliente
De soep is nog warm.
wasdrogerA2
secadora
In de winter gebruik ik de wasdroger.
wasgoedA2
la colada
Het wasgoed hangt buiten te drogen.
wasmachineA2
lavadora
De wasmachine is kapot.
wasmandA1
cesto de la ropa
De vuile kleren liggen in de wasmand.
wassenA2
lavar
Ik moet nog kleren wassen.
wastafelA2
lavabo
De kraan van de wastafel lekt.
watA1
qué
Wat doe je?
waterA1
agua
Drink veel water op een warme dag.
webshopA2
tienda online
Ik bestel het liever in een webshop.
weekA1
semana
Deze week werk ik thuis.
weekdagA1
día laborable
Op weekdagen sta ik vroeg op.
weekendA1
fin de semana
In het weekend werk ik niet.
wegA1
camino, carretera
Deze weg gaat naar het centrum.

