Je EigenRoute
EntrarRegistrarse

Vocabulario

33 palabras · página 1 de 2

  • waarA1

    dónde

    Waar woon je?

  • waaromA1

    por qué

    Waarom kom je niet?

  • wandelenA1

    pasear

    We gaan zondag wandelen.

  • wangA1

    mejilla

    Haar wangen zijn rood van de kou.

  • wanneerA1

    cuándo

    Wanneer begint de les?

  • wantA1

    porque

    Ik blijf thuis, want ik ben ziek.

  • warmA1

    caliente

    De soep is nog warm.

  • wasmandA1

    cesto de la ropa

    De vuile kleren liggen in de wasmand.

  • watA1

    qué

    Wat doe je?

  • waterA1

    agua

    Drink veel water op een warme dag.

  • weekA1

    semana

    Deze week werk ik thuis.

  • weekdagA1

    día laborable

    Op weekdagen sta ik vroeg op.

  • weekendA1

    fin de semana

    In het weekend werk ik niet.

  • wegA1

    camino, carretera

    Deze weg gaat naar het centrum.

  • weinigA1

    poco

    Ik heb weinig tijd.

  • wekelijksA1

    semanalmente

    De les is wekelijks op dinsdag.

  • welkeA1

    cuál, qué

    Welke bus moet ik nemen?

  • welkomA1

    bienvenido

    Welkom bij ons thuis!

  • wereldA1

    mundo

    Nederlandse kaas is bekend in de hele wereld.

  • werkA1

    trabajo

    Ik ga om acht uur naar mijn werk.

  • werkenA1

    trabajar

    Zij werkt in een ziekenhuis.

  • wetenA1

    saber

    Ik weet het niet.

  • wieA1

    quién

    Wie is dat?

  • willenA1

    querer

    Ik wil graag koffie.

  • winterA1

    invierno

    De winter is hier nat en koud.