Vocabulario
15 palabras · página 1 de 1
waaienA2
waaide · hebben gewaaid
soplar (el viento)
Het waait vandaag zo hard dat ik niet ga fietsen.
wachtenA2
wachtte · hebben gewacht
esperar
Ik wacht al een half uur.
wandelenA1
wandelde · hebben/zijn gewandeld
pasear
We gaan zondag wandelen.
wassenA2irregular
waste · wasten · hebben gewassen
lavar
Ik moet nog kleren wassen.
weggaanA2separableirregular
ging weg · gingen weg · zijn weggegaan
irse
Wanneer ga je weg?
weggooienA2separable
gooide weg · hebben weggegooid
tirar
Gooi het oude papier weg.
wennenA2
wende · zijn gewend
acostumbrarse
Ik moet nog wennen aan het Nederlandse weer.
wensenA2
wenste · hebben gewenst
desear
Wij wensen u veel beterschap.
werkenA1
werkte · hebben gewerkt
trabajar
Zij werkt in een ziekenhuis.
funcionar (un aparato)
De lift werkt vandaag niet.
wetenA1irregular
wist · wisten · hebben geweten
saber
Ik weet het niet.
willenA1irregular
wilde · wilden · hebben gewild
querer
Ik wil graag koffie.
winnenA2irregular
won · wonnen · hebben gewonnen
ganar (un partido)
Wie heeft gisteren de wedstrijd gewonnen?
wisselenA2
wisselde · hebben gewisseld
cambiar (dinero)
Kunt u dit briefje van vijftig wisselen?
alternar, cambiar constantemente
Het weer wisselt hier van uur tot uur.
wonenA1
woonde · hebben gewoond
vivir, residir
Wij wonen in Utrecht.
wordenA1irregular
werd · werden · zijn geworden
llegar a ser
Hij wil dokter worden.
(auxiliar de la voz pasiva: ser)
De brief wordt morgen verstuurd.

