Vocabulario
17 palabras · página 1 de 1
wangA1
mejilla
Haar wangen zijn rood van de kou.
wasmandA1
cesto de la ropa
De vuile kleren liggen in de wasmand.
waterA1
agua
Drink veel water op een warme dag.
weekA1
semana
Deze week werk ik thuis.
weekdagA1
día laborable
Op weekdagen sta ik vroeg op.
weekendA1
fin de semana
In het weekend werk ik niet.
wegA1
camino, carretera
Deze weg gaat naar het centrum.
welkomA1
bienvenido
Welkom bij ons thuis!
wereldA1
mundo
Nederlandse kaas is bekend in de hele wereld.
werkA1
trabajo
Ik ga om acht uur naar mijn werk.
winterA1
invierno
De winter is hier nat en koud.
woensdagA1
miércoles
Woensdag zijn de kinderen vrij.
wondA1
herida
Maak de wond eerst schoon.
woonkamerA1
salón
De woonkamer is het grootst.
woordA1
palabra
Ik ken dit woord nog niet.
worstA1
salchicha
Bij de slager kocht ik worst.
wortelA1
zanahoria
Doe de wortels in de soep.

