Vocabulario
Filtros1
Secciones
Categorías gramaticales
132 palabras · página 1 de 6
waarA1
dónde
Waar woon je?
waardeA2
valor
De waarde van het huis is gestegen.
waaromA1
por qué
Waarom kom je niet?
waarschijnlijkA2
probablemente
Hij komt waarschijnlijk te laat.
waarschuwenB1
advertir
Ik had je nog gewaarschuwd.
wachtenA2
esperar
Ik wacht al een half uur.
wachtkamerA2
sala de espera
Neemt u plaats in de wachtkamer.
wachtlijstB1
lista de espera
Er is een lange wachtlijst voor die behandeling.
wachttijdB1
tiempo de espera
De wachttijd voor een sociale huurwoning is lang.
wachtwoordA2
contraseña
Ik ben mijn wachtwoord vergeten.
wandelclubB1
club de senderismo
Mijn moeder zit bij een wandelclub.
wandelenA1
pasear
We gaan zondag wandelen.
wandelingB1
paseo
We maken elke zondag een wandeling.
wandelrouteB1
ruta de senderismo
Deze wandelroute is tien kilometer lang.
wangA1
mejilla
Haar wangen zijn rood van de kou.
wanneerA1
cuándo
Wanneer begint de les?
wantA1
porque
Ik blijf thuis, want ik ben ziek.
warmA1
caliente
De soep is nog warm.
wasdrogerA2
secadora
In de winter gebruik ik de wasdroger.
wasgoedA2
la colada
Het wasgoed hangt buiten te drogen.
wasmachineA2
lavadora
De wasmachine is kapot.
wasmandA1
cesto de la ropa
De vuile kleren liggen in de wasmand.
wassenA2
lavar
Ik moet nog kleren wassen.
wastafelA2
lavabo
De kraan van de wastafel lekt.
watA1
qué
Wat doe je?

