Vocabulario
61 palabras · página 1 de 3
vaakA1
a menudo
Ik ga vaak met de fiets.
de vaderA1
padre
Mijn vader kookt heel goed.
de valA1
caída
Een val is bij ouderen de grootste risicofactor.
vallenA1irregular
viel · vielen · zijn gevallen
caer
Pas op, je valt bijna.
caer (en una fecha)
Mijn verjaardag valt dit jaar op een zondag.
vanA1
de
Dit is de fiets van mijn broer.
vanavondA1
esta noche
Vanavond blijf ik thuis.
vandaagA1
hoy
Vandaag is het mooi weer.
vanmiddagA1
esta tarde
Vanmiddag heb ik een afspraak.
vanmorgenA1
esta mañana
Vanmorgen was het erg koud.
vannachtA1
esta noche; anoche
Vannacht heeft het in het hele land gesneeuwd.
veelA1
mucho
Er zijn veel mensen buiten.
veertigA1
cuarenta
Hier mag je veertig rijden.
veiligA1
seguro (sin peligro)
Werk altijd veilig met deze machine.
de vensterbankA1
alféizar
Op de vensterbank staan planten.
verA1
lejos
Is het nog ver?
veranderenA1
veranderde · hebben/zijn veranderd
cambiar
Er is veel veranderd dit jaar.
verdienenA1
verdiende · hebben verdiend
ganar
Hoeveel verdien je per uur?
de verdiepingA1
planta (de un edificio), piso
Wij wonen op de derde verdieping.
vergetenA1irregular
vergat · vergaten · hebben vergeten
olvidar
Ik ben mijn telefoon vergeten.
de verjaardagA1
cumpleaños
Morgen is mijn verjaardag.
verkopenA1irregular
verkocht · verkochten · hebben verkocht
vender
Ze verkopen hier verse groente.
verloofdA1
prometido
Ze zijn sinds vorige maand verloofd.
verschillendA1
diferente
We hebben verschillende opties bekeken.
vertellenA1
vertelde · hebben verteld
contar
Vertel eens, hoe was je dag?
vertrouwenA1
vertrouwde · hebben vertrouwd
confiar
Ik vertrouw mijn buren, ze zijn altijd eerlijk.
het vertrouwen
confianza
Het kost tijd om vertrouwen op te bouwen.

