Vocabulario
43 palabras · página 1 de 2
vaakA1
a menudo
Ik ga vaak met de fiets.
vaderA1
padre
Mijn vader kookt heel goed.
vallenA1
caer
Pas op, je valt bijna.
vanA1
de
Dit is de fiets van mijn broer.
vanavondA1
esta noche
Vanavond blijf ik thuis.
vandaagA1
hoy
Vandaag is het mooi weer.
vanmiddagA1
esta tarde
Vanmiddag heb ik een afspraak.
vanmorgenA1
esta mañana
Vanmorgen was het erg koud.
veelA1
mucho
Er zijn veel mensen buiten.
veertigA1
cuarenta
Hier mag je veertig rijden.
vensterbankA1
alféizar
Op de vensterbank staan planten.
verA1
lejos
Is het nog ver?
verdiepingA1
planta
Wij wonen op de derde verdieping.
verjaardagA1
cumpleaños
Morgen is mijn verjaardag.
verkopenA1
vender
Ze verkopen hier verse groente.
verloofdA1
prometido
Ze zijn sinds vorige maand verloofd.
vertellenA1
contar
Vertel eens, hoe was je dag?
vierA1
cuatro
Wij wonen op nummer vier.
vierdeA1
cuarto
Dit is mijn vierde les.
vierkantA1
cuadrado
Het plein is bijna vierkant.
viesA1
sucio
Je schoenen zijn vies.
vijfA1
cinco
Het kost vijf euro.
vijfdeA1
quinto
Neem de vijfde straat links.
vijftigA1
cincuenta
Ik betaal met een briefje van vijftig.
vingerA1
dedo
Ik heb mijn vinger gesneden.

