Vocabulario
26 palabras · página 1 de 2
uiA1
cebolla
Van een ui moet ik huilen.
uitA1
de, fuera de
Ik kom uit Oekraïne.
uitgaanB1
salir (de fiesta)
Vroeger gingen we elk weekend uit.
uitgaanslevenB1
vida nocturna
Het uitgaansleven in de stad is levendig.
uitgaveA2
gasto
Dit is een grote uitgave voor ons.
uitgavenB1
gastos
Mijn uitgaven zijn hoger dan vorig jaar.
uitgevenA2
gastar
Ik geef te veel geld uit aan eten.
uitjeB1
salida
We doen jaarlijks een uitje met het team.
uitkeringB1
prestación
Hij ontvangt tijdelijk een uitkering.
uitkomenA2
venir bien
Komt dinsdag jou goed uit?
uitlegB1
explicación
Bedankt voor de duidelijke uitleg.
uitleggenB1
explicar
Kun je dat nog een keer uitleggen?
uitnodigenB1
invitar
Ze hebben ons uitgenodigd voor het feest.
uitnodigingB1
invitación
Bedankt voor de uitnodiging!
uitrustenB1
descansar
Na die drukke week moet ik even uitrusten.
uitslagB1
resultado; erupción
De uitslag van het bloedonderzoek is goed.
uitspraakA2
pronunciación
Je uitspraak is al veel beter.
uitspraakfoutB1
error de pronunciación
Een kleine uitspraakfout is niet erg.
uitspraakregelB1
regla de pronunciación
Deze uitspraakregel geldt voor bijna alle woorden.
uitstappenA2
bajar (de un vehículo)
Bij welke halte moet ik uitstappen?
uitverkochtA2
agotado
Die maat is helaas uitverkocht.
uitverkoopA2
rebajas
In januari is er uitverkoop.
uitzoekenA2
averiguar
Ik zoek uit wat de regels precies zijn.
uniformA2
uniforme
Op dit werk draag je een uniform.
universiteitB1
universidad
Zij studeert aan de universiteit van Leiden.

