Vocabulario
Filtros2
Secciones
Categorías gramaticales
12 palabras · página 1 de 1
uitbestedenB2
subcontratar
Het bedrijf besteedt de administratie uit.
uiteenzettenB2
exponer
Hij zette zijn plan uitgebreid uiteen.
uitgaanB1
salir (de fiesta)
Vroeger gingen we elk weekend uit.
uitgevenA2
gastar
Ik geef te veel geld uit aan eten.
uitkomenA2
venir bien
Komt dinsdag jou goed uit?
uitleggenB1
explicar
Kun je dat nog een keer uitleggen?
uitnodigenB1
invitar
Ze hebben ons uitgenodigd voor het feest.
uitpratenB2
terminar de hablar
Mag ik even uitpraten?
uitrustenB1
descansar
Na die drukke week moet ik even uitrusten.
uitstappenA2
bajar (de un vehículo)
Bij welke halte moet ik uitstappen?
uitstervenB2
extinguirse
Deze vogelsoort dreigt uit te sterven.
uitzoekenA2
averiguar
Ik zoek uit wat de regels precies zijn.

