Vocabulario
Filtros2
Secciones
Categorías gramaticales
13 palabras · página 1 de 1
tankenB1
repostar
Ik moet nog even tanken.
tekenenA2
dibujar
Mijn dochter tekent graag.
tellenA1
contar
Kun je tot tien tellen in het Nederlands?
terugbellenB1
devolver la llamada
Kunt u mij vanmiddag terugbellen?
terugbetalenA2
devolver (dinero)
Ik betaal je volgende week terug.
terugkomenA2
volver
Hij komt volgende week terug.
thuisblijvenA2
quedarse en casa
Ik blijf vandaag thuis.
toegevenB1
admitir
Ze gaf toe dat ze fout zat.
toestaanA2
permitir
Honden zijn hier niet toegestaan.
trainenB1
entrenar
Wij trainen twee keer per week.
trakterenA2
invitar (a algo)
Op je verjaardag trakteer je op gebak.
trouwenA1
casarse
Zij gaan in juni trouwen.
tuinierenB1
hacer jardinería
In het voorjaar ga ik graag tuinieren.

