Je EigenRoute
EntrarRegistrarse

Vocabulario

8 palabras · página 1 de 1

  • tekenenA2

    dibujar

    Mijn dochter tekent graag.

  • tellenA1

    contar

    Kun je tot tien tellen in het Nederlands?

  • terugbetalenA2

    devolver (dinero)

    Ik betaal je volgende week terug.

  • terugkomenA2

    volver

    Hij komt volgende week terug.

  • thuisblijvenA2

    quedarse en casa

    Ik blijf vandaag thuis.

  • toestaanA2

    permitir

    Honden zijn hier niet toegestaan.

  • trakterenA2

    invitar (a algo)

    Op je verjaardag trakteer je op gebak.

  • trouwenA1

    casarse

    Zij gaan in juni trouwen.