Vocabulario
158 palabras · página 2 de 7
de tanteA1
tía
Mijn tante komt op bezoek.
het tapijtA2
alfombra
We hebben een nieuw tapijt gelegd.
de tasA1
bolso
Mijn tas staat naast de stoel.
de taxiA2
taxi
We namen een taxi naar het hotel.
teA1
demasiado
Deze jas is te duur voor mij.
partícula de infinitivo (te)
Ik probeer elke dag Nederlands te spreken.
het teamA2
equipo
Ik werk in een klein team van vijf collega's.
de teamgeestB1
espíritu de equipo
De teamgeest is hier goed.
de teamleiderB1
jefe de equipo
Vraag het even aan de teamleider.
het teamoverlegB1
consulta de equipo
Het teamoverleg is op dinsdagochtend.
de teamsportB1
deporte de equipo
Voetbal is de bekendste teamsport.
de teamvergaderingA2
reunión de equipo
De teamvergadering is elke maandag.
de techniekB1
técnica
Hij heeft veel interesse in techniek en computers.
technischB1
técnico
Zij volgt een technische opleiding op het mbo.
de technologieA2
tecnología
Nieuwe technologie verandert de arbeidsmarkt.
de teenA1
dedo del pie
Ik stootte mijn teen tegen de tafel.
tegelijkA2
a la vez
Praat niet allemaal tegelijk.
tegelijkertijdB1
al mismo tiempo
Ik kan niet koken en tegelijkertijd bellen.
tegenA1
contra; a (decir a alguien)
Zij zegt iets tegen haar buurvrouw in de lift.
tegenoverA2
enfrente de
De bakker zit tegenover de kerk.
de tegenstanderB1
adversario, rival
Onze tegenstander was veel sterker dan wij.
tegenwoordigA2
hoy en día
Tegenwoordig werk ik vaker thuis.
het tegoedA2
saldo disponible
Er staat nog tegoed op mijn kaart.
het tekenB1
señal, signo
Een rode lucht is een teken van mooi weer.
tekenenA2
tekende · hebben getekend
dibujar
Mijn dochter tekent graag.
de tekstA1
texto
Lees de tekst en beantwoord daarna de vragen.

