Vocabulario
Filtros1
Secciones
Categorías gramaticales
119 palabras · página 2 de 5
tandartsA2
dentista
Ik ga twee keer per jaar naar de tandarts.
tandenborstelA1
cepillo de dientes
Vergeet je tandenborstel niet.
tankenB1
repostar
Ik moet nog even tanken.
tanteA1
tía
Mijn tante komt op bezoek.
tapijtA2
alfombra
We hebben een nieuw tapijt gelegd.
tasA1
bolso
Mijn tas staat naast de stoel.
taxiA2
taxi
We namen een taxi naar het hotel.
teamgeestB1
espíritu de equipo
De teamgeest is hier goed.
teamleiderB1
jefe de equipo
Vraag het even aan de teamleider.
teamoverlegB1
reunión de equipo
Het teamoverleg is op dinsdagochtend.
teamsportB1
deporte de equipo
Voetbal is de bekendste teamsport.
teamvergaderingA2
reunión de equipo
De teamvergadering is elke maandag.
teenA1
dedo del pie
Ik stootte mijn teen tegen de tafel.
tegelijkA2
a la vez
Praat niet allemaal tegelijk.
tegenwoordigA2
hoy en día
Tegenwoordig werk ik vaker thuis.
tegoedA2
saldo disponible
Er staat nog tegoed op mijn kaart.
tekenenA2
dibujar
Mijn dochter tekent graag.
telefoonA1
teléfono
Mijn telefoon is leeg.
telefoonafspraakB1
cita telefónica
We maken een telefoonafspraak voor donderdag.
telefoongesprekB1
llamada telefónica
Na het telefoongesprek was alles duidelijk.
teleurgesteldA2
decepcionado
Hij was teleurgesteld in het resultaat.
televisieA1
televisión
De televisie staat de hele dag aan.
tellenA1
contar
Kun je tot tien tellen in het Nederlands?
temperatuurB1
temperatura
De temperatuur daalt vannacht.
temperatuurstijgingB1
aumento de temperatura
De temperatuurstijging is duidelijk zichtbaar.

