Vocabulario
35 palabras · página 2 de 2
trouwenA1
casarse
Zij gaan in juni trouwen.
tuinA1
jardín
We hebben een kleine tuin achter het huis.
tuinpadA1
camino del jardín
Het tuinpad ligt vol bladeren.
tuinstoelA1
silla de jardín
De tuinstoelen staan in de schuur.
tussenA1
entre
De winkel zit tussen de bank en het café.
twaalfA1
doce
We eten om twaalf uur.
tweeA1
dos
Ik heb twee kinderen.
tweedeA1
segundo
Neem de tweede straat rechts.
tweelingA1
gemelos
Zij heeft een tweeling gekregen.
twintigA1
veinte
Het kost twintig euro.

