Vocabulario
69 palabras · página 1 de 3
taakA2
tarea
Dat is niet mijn taak.
taakomschrijvingA2
descripción de tareas
Dat staat niet in mijn taakomschrijving.
taalA1
idioma
Nederlands is een moeilijke taal.
taallesA2
clase de idioma
Ik heb twee keer per week taalles.
taaltoetsA2
prueba de idioma
Voor de cursus doe je eerst een taaltoets.
taartA1
tarta
Op mijn verjaardag maak ik een taart.
tachtigA1
ochenta
Mijn oma is tachtig jaar.
tafelA1
mesa
Het eten staat op tafel.
takenlijstA2
lista de tareas
Ik werk mijn takenlijst af.
tandA1
diente
Er is een tand afgebroken.
tandartsA2
dentista
Ik ga twee keer per jaar naar de tandarts.
tandenborstelA1
cepillo de dientes
Vergeet je tandenborstel niet.
tanteA1
tía
Mijn tante komt op bezoek.
tapijtA2
alfombra
We hebben een nieuw tapijt gelegd.
tasA1
bolso
Mijn tas staat naast de stoel.
taxiA2
taxi
We namen een taxi naar het hotel.
teamvergaderingA2
reunión de equipo
De teamvergadering is elke maandag.
teenA1
dedo del pie
Ik stootte mijn teen tegen de tafel.
tegelijkA2
a la vez
Praat niet allemaal tegelijk.
tegenwoordigA2
hoy en día
Tegenwoordig werk ik vaker thuis.
tegoedA2
saldo disponible
Er staat nog tegoed op mijn kaart.
tekenenA2
dibujar
Mijn dochter tekent graag.
telefoonA1
teléfono
Mijn telefoon is leeg.
teleurgesteldA2
decepcionado
Hij was teleurgesteld in het resultaat.
televisieA1
televisión
De televisie staat de hele dag aan.

