Je EigenRoute
EntrarRegistrarse

Vocabulario

20 palabras · página 1 de 1

  • samenlevenB1

    convivir

    Samenleven met verschillende culturen vraagt inzet.

  • samenwerkenB1

    colaborar

    We moeten beter samenwerken.

  • scheidenA1

    divorciarse

    Mijn ouders zijn gescheiden.

  • schoonmakenA2

    limpiar

    Op zaterdag maak ik het huis schoon.

  • schrijvenA2

    escribir

    Schrijf je naam op het formulier.

  • slagenB1

    aprobar

    Zij is voor het examen geslaagd.

  • slapenA2

    dormir

    Ik heb slecht geslapen.

  • sluitenA1

    cerrar

    De deur sluit automatisch.

  • snijdenA2

    cortar

    Snijd de groente in kleine stukjes.

  • solliciterenB1

    solicitar empleo

    Ik heb op drie vacatures gesolliciteerd.

  • sparenA2

    ahorrar

    We sparen voor een nieuwe auto.

  • spelenA1

    jugar

    De kinderen spelen in de tuin.

  • sprekenA2

    hablar

    Spreekt u Nederlands?

  • springenA1

    saltar

    Hij sprong over de sloot.

  • staanA1

    estar de pie

    De auto staat voor het huis.

  • stemmenB1

    votar

    Bij de verkiezingen mag iedereen stemmen.

  • stofzuigenA2

    pasar la aspiradora

    Ik stofzuig één keer per week.

  • stoppenA2

    parar, dejar de

    Hij is gestopt met roken.

  • studerenB1

    estudiar

    Ik studeer elke avond twee uur.

  • sturenA1

    enviar

    Ik stuur je vanavond een bericht.