Vocabulario
Filtros1
Secciones
Categorías gramaticales
169 palabras · página 5 de 7
spitsuurB1
hora punta
Vermijd het spitsuur als het kan.
spoedA2
urgencia
Bij spoed belt u dit nummer.
spoedgevalB1
caso de urgencia
Bij een spoedgeval belt u 112.
spoorlijnB1
línea ferroviaria
De spoorlijn wordt volgend jaar vernieuwd.
sportB1
deporte
Welke sport doe jij?
sportabonnementB1
abono deportivo
Mijn sportabonnement loopt per maand.
sportevenementB1
evento deportivo
Het sportevenement trekt duizenden bezoekers.
sportiefB1
deportista
Hij is heel sportief.
sportkantineB1
cantina del club
Na de wedstrijd zitten we in de sportkantine.
sportlesB1
clase de deporte
De sportles begint om zeven uur.
sportprestatieB1
rendimiento deportivo
Zijn sportprestaties zijn indrukwekkend.
sportschoolB1
gimnasio
Ik ga drie keer per week naar de sportschool.
sportuitrustingB1
equipamiento deportivo
Neem je eigen sportuitrusting mee.
sportveldB1
campo deportivo
Achter de school ligt een sportveld.
spreekbeurtB1
exposición oral
Mijn dochter houdt morgen een spreekbeurt.
spreekkamerB1
consulta (sala)
De dokter roept u zo in de spreekkamer.
spreekmomentB1
turno de palabra
Elke les is er een spreekmoment per cursist.
spreekoefeningB1
ejercicio de expresión oral
We doen elke les een spreekoefening.
spreektaalB1
lengua hablada
In spreektaal zeg je dat korter.
spreektempoB1
velocidad al hablar
Zijn spreektempo ligt erg hoog.
spreekuurA2
horas de consulta
Het spreekuur is van negen tot elf.
spreekvaardigheidB1
expresión oral
Mijn spreekvaardigheid is zwakker dan mijn leesvaardigheid.
sprekenA2
hablar
Spreekt u Nederlands?
springenA1
saltar
Hij sprong over de sloot.
spullenA1
cosas
Neem je spullen mee.

