Vocabulario
Filtros1
Secciones
Categorías gramaticales
169 palabras · página 3 de 7
sindsA1
desde
Ik woon hier sinds 2022.
situatieA2
situación
Leg de situatie even uit.
slaA1
lechuga
Er ligt sla in de koelkast.
slaapA1
sueño
Ik heb te weinig slaap gehad.
slaapgebrekA2
falta de sueño
Door slaapgebrek kan ik me slecht concentreren.
slaapkamerA1
dormitorio
Wij hebben twee slaapkamers.
slagenB1
aprobar
Zij is voor het examen geslaagd.
slagerA2
carnicería
Bij de slager is het vlees beter.
slapenA2
dormir
Ik heb slecht geslapen.
slechtA1
malo
Het weer is vandaag slecht.
sleutelA2
llave
Ik ben mijn sleutel kwijt.
sleutelbosA1
manojo de llaves
Mijn sleutelbos ligt op de kast.
sluitenA1
cerrar
De deur sluit automatisch.
smaakA2
sabor
De smaak is een beetje zoet.
snackA2
tentempié
Neem een gezonde snack mee.
sneeuwB1
nieve
In Nederland valt weinig sneeuw.
snelA1
rápido
Hij loopt heel snel.
snelheidslimietB1
límite de velocidad
Binnen de bebouwde kom geldt een snelheidslimiet van 30.
snelwegA2
autopista
Op de snelweg mag je honderd.
snijdenA2
cortar
Snijd de groente in kleine stukjes.
snijplankA2
tabla de cortar
Snijd de groente op de snijplank.
snoepA1
dulces
Kinderen eten te veel snoep.
sociaalB1
social
Hij is heel sociaal en maakt snel contact.
soepA1
sopa
De soep is nog te heet.
sokA1
calcetín
Ik kan mijn sokken niet vinden.

