Vocabulario
43 palabras · página 1 de 2
raamA1
ventana
Het raam staat open.
radenA1
adivinar
Raad eens wie ik zag!
receptA2
receta
Dit recept komt van mijn moeder.
rechtsA1
derecha
De supermarkt is rechts van het station.
redenA2
razón
Wat is de reden van je verhuizing?
regelenA2
gestionar, organizar
Ik regel het morgen wel.
regelmatigA2
con regularidad
Ik sport regelmatig.
reisA2
viaje
De reis duurt twee uur.
reisduurA2
duración del viaje
De reisduur is ongeveer 45 minuten.
reiskostenA2
gastos de viaje
De reiskosten worden vergoed.
reistijdA2
tiempo de viaje
De reistijd is ongeveer een uur.
reisverzekeringA2
seguro de viaje
Sluit een reisverzekering af voor je vakantie.
reizenA1
viajar
Ik reis elke dag met de trein.
rekenenA2
calcular
Ik moet even rekenen hoeveel het kost.
rekeningA2
factura; cuenta
De rekening komt volgende week.
rekeningnummerA2
número de cuenta
Geef je rekeningnummer door.
rennenA1
correr
De kinderen rennen door de tuin.
renteA2
interés
De rente op de spaarrekening is laag.
reparatieA2
reparación
De reparatie wordt door de verhuurder betaald.
restaurantA2
restaurante
We gaan uit eten in een Italiaans restaurant.
restjeA2
sobras
Van de restjes maak ik morgen soep.
retournerenA2
devolver
Je kunt het binnen 14 dagen retourneren.
retourzendingA2
devolución de envío
De retourzending is gratis.
richtingA2
dirección (sentido)
Je moet de andere richting op.
rijA2
cola
Er staat een lange rij bij de kassa.

