Vocabulario
11 palabras · página 1 de 1
radenA1
adivinar
Raad eens wie ik zag!
regelenA2
gestionar, organizar
Ik regel het morgen wel.
reizenA1
viajar
Ik reis elke dag met de trein.
rekenenA2
calcular
Ik moet even rekenen hoeveel het kost.
rennenA1
correr
De kinderen rennen door de tuin.
retournerenA2
devolver
Je kunt het binnen 14 dagen retourneren.
rijdenA2
conducir, ir en
Hij rijdt elke dag naar zijn werk.
roepenA1
llamar, gritar
Roep me als je klaar bent.
roerenA2
remover
Blijf roeren tot de saus dik wordt.
ruikenA2
oler
Het ruikt hier lekker.
ruilenA2
cambiar
Kan ik deze jas ruilen?

