Vocabulario
15 palabras · página 1 de 1
radenA1irregular
raadde · raadden · hebben geraden
adivinar
Raad eens wie ik zag!
reagerenA1
reageerde · hebben gereageerd
reaccionar, responder
Hij heeft nog niet op mijn mail gereageerd.
zich realiserenA2reflexivo
realiseerde · hebben gerealiseerd
darse cuenta
Ik realiseerde me pas later wat er gebeurd was.
regelenA2
regelde · hebben geregeld
gestionar, organizar
Ik regel het morgen wel.
reizenA1
reisde · hebben/zijn gereisd
viajar
Ik reis elke dag met de trein.
rekenenA2
rekende · hebben gerekend
calcular
Ik moet even rekenen hoeveel het kost.
rennenA1
rende · hebben/zijn gerend
correr
De kinderen rennen door de tuin.
reparerenA2
repareerde · hebben gerepareerd
reparar, arreglar
Kun jij mijn fiets morgen voor me repareren?
retournerenA2
retourneerde · hebben geretourneerd
devolver
Je kunt het binnen 14 dagen retourneren.
zich richtenA1reflexivo
richtte · hebben gericht
dirigirse a, centrarse en
De cursus richt zich op beginners.
rijdenA2irregular
reed · reden · hebben/zijn gereden
conducir, ir en
Hij rijdt elke dag naar zijn werk.
roepenA1irregular
riep · riepen · hebben geroepen
llamar, gritar
Roep me als je klaar bent.
roerenA2
roerde · hebben geroerd
remover
Blijf roeren tot de saus dik wordt.
ruikenA2irregular
rook · roken · hebben geroken
oler
Het ruikt hier lekker.
ruilenA2
ruilde · hebben geruild
intercambiar, cambiar
Kan ik deze jas ruilen?

