Vocabulario
27 palabras · página 1 de 2
raamA1
ventana
Het raam staat open.
receptA2
receta
Dit recept komt van mijn moeder.
redenA2
razón
Wat is de reden van je verhuizing?
reisA2
viaje
De reis duurt twee uur.
reisduurA2
duración del viaje
De reisduur is ongeveer 45 minuten.
reiskostenA2
gastos de viaje
De reiskosten worden vergoed.
reistijdA2
tiempo de viaje
De reistijd is ongeveer een uur.
reisverzekeringA2
seguro de viaje
Sluit een reisverzekering af voor je vakantie.
rekeningA2
factura; cuenta
De rekening komt volgende week.
rekeningnummerA2
número de cuenta
Geef je rekeningnummer door.
renteA2
interés
De rente op de spaarrekening is laag.
reparatieA2
reparación
De reparatie wordt door de verhuurder betaald.
restaurantA2
restaurante
We gaan uit eten in een Italiaans restaurant.
restjeA2
sobras
Van de restjes maak ik morgen soep.
retourzendingA2
devolución de envío
De retourzending is gratis.
richtingA2
dirección (sentido)
Je moet de andere richting op.
rijA2
cola
Er staat een lange rij bij de kassa.
rijstA1
arroz
We eten vanavond rijst met groente.
rommelA1
desorden
Wat een rommel in deze kamer!
roodA1
rojo
Ze draagt een rode jas.
roomA1
nata
Wil je room bij de koffie?
roosterA2
horario
Het rooster voor volgende week hangt er.
rotondeA2
rotonda
Neem op de rotonde de tweede afslag.
rozeA1
rosa
Zij draagt een roze jurk.
rugA1
espalda
Ik heb last van mijn rug.

