Vocabulario
51 palabras · página 1 de 3
laagA1
bajo
De prijs is nu laag.
laatA1
tarde
Sorry dat ik te laat ben.
laatsteA1
último
Dit is de laatste bus.
lachenA1
reír
We hebben veel gelachen.
lakenA1
sábana
De lakens moeten in de was.
lampA1
lámpara
De lamp in de gang is kapot.
landA1
país
Uit welk land kom je?
langA1
largo
Het duurt niet lang.
langskomenA2
pasarse por
Kom je vanavond even langs?
langzaamA1
lento
Kunt u wat langzamer praten?
latenA2
dejar; mandar hacer
Ik laat mijn fiets repareren.
laterA1
más tarde
We bellen later wel even.
leegA1
vacío
Mijn glas is leeg.
leerboekA2
libro de texto
Neem je leerboek mee naar de les.
leertempoA2
ritmo de aprendizaje
Iedereen heeft zijn eigen leertempo.
leggenA1
poner (acostado)
Leg het boek op tafel.
lekkerA2
rico, agradable
Deze soep is heel lekker.
lelijkA1
feo
Dat gebouw vind ik lelijk.
lenenA2
prestar; pedir prestado
Kan ik tien euro van je lenen?
lenteA1
primavera
In de lente bloeien de tulpen.
lepelA1
cuchara
Ik eet soep met een lepel.
leraarA2
maestro
De leraar legt het nog een keer uit.
lerenA2
aprender; enseñar
Ik leer nu een jaar Nederlands.
lesmateriaalA2
material didáctico
Het lesmateriaal krijg je bij de eerste les.
lesroosterA2
horario de clases
Het lesrooster hangt bij de ingang.

