Vocabulario
15 palabras · página 1 de 1
lachenA1irregular
lachte · lachten · hebben gelachen
reír
We hebben veel gelachen.
langskomenA2separableirregular
kwam langs · kwamen langs · zijn langsgekomen
pasarse por
Kom je vanavond even langs?
latenA1irregular
liet · lieten · hebben gelaten
dejar; mandar hacer
Ik laat mijn fiets repareren.
leggenA1
legde · hebben gelegd
poner (acostado)
Leg het boek op tafel.
lenenA2
leende · hebben geleend
prestar; pedir prestado
Kan ik tien euro van je lenen?
lerenA1
leerde · hebben geleerd
aprender; enseñar
Ik leer nu een jaar Nederlands.
lettenA2
lette · hebben gelet
prestar atención (a), vigilar
Wil je even op de kinderen letten?
levenA1
leefde · hebben geleefd
vivir
Mijn opa leeft nog en is al negentig jaar.
het leven
vida
Het leven hier is heel anders.
lezenA1irregular
las · lazen · hebben gelezen
leer
Lees de tekst nog een keer.
liegenA2irregular
loog · logen · hebben gelogen
mentir
Hij zei dat hij ziek was, maar hij loog.
liggenA1irregular
lag · lagen · hebben gelegen
estar tumbado, hallarse
Het boek ligt op tafel.
lijkenA1irregular
leek · leken · hebben geleken
parecer
Het lijkt me een goed idee.
lopenA1irregular
liep · liepen · hebben/zijn gelopen
caminar
Ik loop elke dag naar mijn werk.
durar, ir (un periodo)
De cursus loopt van september tot juni.
luisterenA2
luisterde · hebben geluisterd
escuchar
Luister goed naar de vraag.
lukkenA2
lukte · zijn gelukt
salir bien, lograrse
Het is me gelukt!

