Vocabulario
12 palabras · página 1 de 1
lachenA1
reír
We hebben veel gelachen.
langskomenA2
pasarse por
Kom je vanavond even langs?
latenA2
dejar; mandar hacer
Ik laat mijn fiets repareren.
leggenA1
poner (acostado)
Leg het boek op tafel.
lenenA2
prestar; pedir prestado
Kan ik tien euro van je lenen?
lerenA2
aprender; enseñar
Ik leer nu een jaar Nederlands.
lezenA2
leer
Lees de tekst nog een keer.
liggenA1
estar tumbado, hallarse
Het boek ligt op tafel.
lijkenA1
parecer
Het lijkt me een goed idee.
lopenA1
caminar
Ik loop elke dag naar mijn werk.
luisterenA2
escuchar
Luister goed naar de vraag.
lukkenA2
salir bien, lograrse
Het is me gelukt!

