Vocabulario
31 palabras · página 1 de 2
laagA1
bajo
De prijs is nu laag.
laatsteA1
último
Dit is de laatste bus.
lakenA1
sábana
De lakens moeten in de was.
lampA1
lámpara
De lamp in de gang is kapot.
landA1
país
Uit welk land kom je?
langA1
largo
Het duurt niet lang.
laterA1
más tarde
We bellen later wel even.
leerboekA2
libro de texto
Neem je leerboek mee naar de les.
leertempoA2
ritmo de aprendizaje
Iedereen heeft zijn eigen leertempo.
lenteA1
primavera
In de lente bloeien de tulpen.
lepelA1
cuchara
Ik eet soep met een lepel.
leraarA2
maestro
De leraar legt het nog een keer uit.
lesmateriaalA2
material didáctico
Het lesmateriaal krijg je bij de eerste les.
lesroosterA2
horario de clases
Het lesrooster hangt bij de ingang.
lesuurA2
hora lectiva
Een lesuur duurt vijftig minuten.
letterA1
letra
Schrijf je naam met grote letters.
levenA1
vida; vivir
Het leven hier is heel anders.
leveringA2
entrega
De levering duurt drie werkdagen.
levertijdA2
plazo de entrega
De levertijd is drie werkdagen.
lichaamA1
cuerpo
Beweging is goed voor je lichaam.
lichtA1
luz
Doe het licht even aan.
liftA2
ascensor
De lift is kapot.
lijstA2
lista
Zet het op de lijst.
limonadeA1
refresco
De kinderen krijgen limonade.
lipA1
labio
Mijn lippen zijn droog van de kou.

