Je EigenRoute
EntrarRegistrarse

Vocabulario

201 palabras · página 1 de 9

  • laadinfrastructuurB2

    infraestructura de recarga

    De laadinfrastructuur groeit sneller dan verwacht.

  • laadpaalB1

    punto de carga

    Bij het station staan laadpalen voor elektrische auto's.

  • laagA1

    bajo

    De prijs is nu laag.

  • laagconjunctuurB2

    recesión cíclica

    Bij laagconjunctuur stellen bedrijven investeringen uit.

  • laaggeletterdheidB2

    baja alfabetización

    Laaggeletterdheid komt ook onder Nederlanders voor.

  • laatA1

    tarde

    Sorry dat ik te laat ben.

  • laatsteA1

    último

    Dit is de laatste bus.

  • laboratoriumB2

    laboratorio

    De proeven vinden plaats in het laboratorium.

  • lachenA1

    reír

    We hebben veel gelachen.

  • lactose-intolerantieB2

    intolerancia a la lactosa

    Bij lactose-intolerantie kies je plantaardige melk.

  • ladderB2

    escalera de mano

    Zet de ladder stevig neer.

  • lakenA1

    sábana

    De lakens moeten in de was.

  • lampA1

    lámpara

    De lamp in de gang is kapot.

  • landA1

    país

    Uit welk land kom je?

  • landbouwB2

    agricultura

    De landbouw staat onder druk door milieuregels.

  • landbouwgrondB1

    terreno agrícola

    Een deel van de landbouwgrond wordt natuurgebied.

  • landsbestuurB2

    gobierno nacional

    Het landsbestuur is verdeeld over meerdere lagen.

  • landschapB1

    paisaje

    Het Nederlandse landschap is erg vlak.

  • langA1

    largo

    Het duurt niet lang.

  • lang niet gezienB2

    cuánto tiempo

    Hé, lang niet gezien!

  • langskomenA2

    pasarse por

    Kom je vanavond even langs?

  • langzaamA1

    lento

    Kunt u wat langzamer praten?

  • latenA2

    dejar; mandar hacer

    Ik laat mijn fiets repareren.

  • laterA1

    más tarde

    We bellen later wel even.

  • ledlampB2

    bombilla led

    Een ledlamp gebruikt veel minder stroom.