Vocabulario
15 palabras · página 1 de 1
jaA1
sí
Ja, ik kom morgen graag naar je feest.
het jaarA1
año
Een jaar heeft twaalf maanden.
jaarlijksA1
anualmente
Er is jaarlijks een buurtfeest.
jaloersA2
celoso, envidioso
Hij is een beetje jaloers op zijn broer.
de jamA1
mermelada
Ik eet brood met jam.
jammerA2
qué pena, lástima
Wat jammer dat je niet naar het feest kunt komen.
januariA1
enero
Mijn cursus begint in januari.
jarigA1
que cumple años
Mijn zoon is vandaag jarig.
de jasA1
abrigo
Doe je jas aan, het is koud.
jongA1
joven
Zij is nog heel jong.
de jongenA1
chico
Die jongen is mijn zoon.
de journalistA2
periodista
De journalist sprak met meerdere getuigen.
juliA1
julio
In juli gaan we op vakantie.
juniA1
junio
In juni beginnen de examens.
de jurkA1
vestido
Ze kocht een nieuwe jurk voor het feest.

