Vocabulario
9 palabras · página 1 de 1
het jaarA1
año
Een jaar heeft twaalf maanden.
de jamA1
mermelada
Ik eet brood met jam.
januariA1
enero
Mijn cursus begint in januari.
de jasA1
abrigo
Doe je jas aan, het is koud.
de jongenA1
chico
Die jongen is mijn zoon.
de journalistA2
periodista
De journalist sprak met meerdere getuigen.
juliA1
julio
In juli gaan we op vakantie.
juniA1
junio
In juni beginnen de examens.
de jurkA1
vestido
Ze kocht een nieuwe jurk voor het feest.

