Je EigenRoute
EntrarRegistrarse

Vocabulario

9 palabras · página 1 de 1

  • jaarA1

    año

    Ik woon hier al drie jaar.

  • jaloersA2

    celoso, envidioso

    Hij is een beetje jaloers op zijn broer.

  • jamA1

    mermelada

    Ik eet brood met jam.

  • januariA1

    enero

    Mijn cursus begint in januari.

  • jasA1

    abrigo

    Doe je jas aan, het is koud.

  • jongenA1

    chico

    Die jongen is mijn zoon.

  • juliA1

    julio

    In juli gaan we op vakantie.

  • juniA1

    junio

    In juni beginnen de examens.

  • jurkA1

    vestido

    Ze kocht een nieuwe jurk voor het feest.