Vocabulario
70 palabras · página 1 de 3
het haarA1
pelo
Zij heeft lang haar.
su (de ella)
Anna zoekt haar sleutels in haar tas.
de haastA2
prisa
Ik heb haast, want mijn bus vertrekt zo.
de hagelslagA1
fideos de chocolate
Nederlandse kinderen eten hagelslag op brood.
de halteA2
parada
De halte is om de hoek.
de hamA1
jamón
Ik neem een boterham met ham.
de handA1
mano
Was je handen voor het eten.
de handdoekA1
toalla
De handdoek hangt in de badkamer.
de handelB1
comercio
De haven van Rotterdam is belangrijk voor de handel.
de handtekeningA2
firma, rúbrica
Zet hier onderaan het formulier uw handtekening.
het hartA1
corazón
Mijn hart klopt snel.
de hartslagA1
latido, pulso
Mijn hartslag gaat snel na het sporten.
de havenA2
puerto
De boot ligt in de haven van Den Helder.
de heerB1
caballero, señor (formal)
Geachte heer, hierbij reageer ik op uw advertentie.
het hekA1
valla, verja
Doe het hek achter je dicht.
de heldB1
héroe
De brandweerman is een echte held voor de kinderen.
de helftA1
la mitad
De helft van de klas was ziek.
de herfstA1
otoño
In de herfst waait het vaak hard.
de herhalingA2
repaso
Volgende week is er een herhaling van de grammatica.
de herinneringB1
recordatorio
Ik kreeg een herinnering voor een onbetaalde rekening.
de herkansingB1
segunda convocatoria (examen)
Je hebt recht op één herkansing.
de hersenenA1
cerebro
Slaap is belangrijk voor je hersenen.
het herstelA2
recuperación
Beterschap en een goed herstel!
de herstelperiodeB1
periodo de recuperación
De herstelperiode duurt zes weken.
het herstelplanB1
plan de recuperación
De arts stelde samen met mij een herstelplan op.
de hersteltijdB1
tiempo de recuperación
De hersteltijd na deze ingreep is kort.

