Je EigenRoute
EntrarRegistrarse

Vocabulario

39 palabras · página 1 de 2

  • haarA1

    pelo

    Zij heeft lang haar.

  • hagelslagA1

    fideos de chocolate

    Nederlandse kinderen eten hagelslag op brood.

  • halfA1

    medio

    Het is half acht.

  • halloA1

    hola

    Hallo, hoe gaat het?

  • hamA1

    jamón

    Ik neem een boterham met ham.

  • handA1

    mano

    Was je handen voor het eten.

  • handdoekA1

    toalla

    De handdoek hangt in de badkamer.

  • handigA1

    práctico

    Dat is een handige app.

  • hardA1

    duro; fuerte

    Het bed is te hard.

  • hartA1

    corazón

    Mijn hart klopt snel.

  • hartslagA1

    latido, pulso

    Mijn hartslag gaat snel na het sporten.

  • hebbenA1

    tener

    Wij hebben twee kinderen.

  • heelA1

    muy; entero

    Het is heel warm vandaag.

  • hekA1

    valla, verja

    Doe het hek achter je dicht.

  • helftA1

    la mitad

    De helft van de klas was ziek.

  • herfstA1

    otoño

    In de herfst waait het vaak hard.

  • hersenenA1

    cerebro

    Slaap is belangrijk voor je hersenen.

  • hetenA1

    llamarse

    Hoe heet jij?

  • heupA1

    cadera

    Mijn oma heeft een nieuwe heup.

  • hierA1

    aquí

    Ik woon hier al drie jaar.

  • hoeA1

    cómo

    Hoe gaat het met je?

  • hoekA1

    esquina

    De bakker zit om de hoek.

  • hoelangA1

    cuánto tiempo

    Hoelang woon je al in Nederland?

  • hoeveelA1

    cuánto

    Hoeveel kost dit?

  • hoiA1

    hola

    Hoi, hoe is het?