Vocabulario
40 palabras · página 1 de 2
gangA1
pasillo
Zet je schoenen in de gang.
garageA1
garaje
De fiets staat in de garage.
garantieA2
garantía
Er zit twee jaar garantie op.
gauwA1
pronto
Tot gauw!
gebakA1
pastel
Bij de koffie was er gebak.
gebruikA2
uso
Het gebruik van de app is gratis.
geïrriteerdA2
irritado
Hij raakte geïrriteerd door het wachten.
geldA2
dinero
Ik heb geen geld bij me.
geldautomaatA2
cajero automático
Er staat een geldautomaat bij de supermarkt.
geldbedragA2
cantidad de dinero
Vul het geldbedrag in cijfers in.
geldzorgenA2
problemas de dinero
Veel gezinnen hebben geldzorgen.
geluidsoverlastA2
molestias por ruido
We hebben veel geluidsoverlast van de buren.
gelukA1
suerte, felicidad
Veel geluk met je nieuwe baan!
gemiddeldA2
de media
Ik werk gemiddeld dertig uur per week.
gerechtA2
plato
Dit gerecht is een specialiteit hier.
gereedschapA1
herramientas
Het gereedschap ligt in de schuur.
getalA1
número (cifra)
Schrijf het getal in cijfers.
getrouwdA1
casado
Zij is al tien jaar getrouwd.
gevolgA2
consecuencia
Dat heeft grote gevolgen voor ons.
gewondA2
herido
Bij het ongeluk raakte niemand gewond.
gewoonteA2
costumbre
Vroeg opstaan is een goede gewoonte.
gezichtA1
cara
Was je gezicht met koud water.
gezinA1
familia (núcleo)
Ons gezin bestaat uit vier personen.
gezondheidstoestandA2
estado de salud
Zijn gezondheidstoestand is stabiel.
gipsA2
escayola
Zijn arm zit zes weken in het gips.

