Vocabulario
64 palabras · página 2 de 3
gemiddeldA2
de media
Ik werk gemiddeld dertig uur per week.
genezenA2
curar(se)
De wond is goed genezen.
genoegA1
suficiente
Er is genoeg eten voor iedereen.
gerechtA2
plato
Dit gerecht is een specialiteit hier.
gereedschapA1
herramientas
Het gereedschap ligt in de schuur.
geschiktA2
adecuado
Deze woning is geschikt voor een gezin.
gestrestA2
estresado
Voor het examen was ik erg gestrest.
getalA1
número (cifra)
Schrijf het getal in cijfers.
getrouwdA1
casado
Zij is al tien jaar getrouwd.
gevenA1
dar
Geef mij het zout, alsjeblieft.
gevolgA2
consecuencia
Dat heeft grote gevolgen voor ons.
gewondA2
herido
Bij het ongeluk raakte niemand gewond.
gewoonteA2
costumbre
Vroeg opstaan is een goede gewoonte.
gezichtA1
cara
Was je gezicht met koud water.
gezinA1
familia (núcleo)
Ons gezin bestaat uit vier personen.
gezondA2
sano
Hij eet heel gezond.
gezondheidstoestandA2
estado de salud
Zijn gezondheidstoestand is stabiel.
gipsA2
escayola
Zijn arm zit zes weken in het gips.
gisterenA1
ayer
Gisteren was ik ziek.
glasA1
vaso
Mag ik een glas water?
goedA1
bueno
Het gaat goed met mij.
goedemorgenA1
buenos días
Goedemorgen, komt u binnen.
goedenavondA1
buenas noches
Goedenavond, komt u binnen.
goedendagA1
buenos días
Goedendag, waarmee kan ik u helpen?
goedkoopA2
barato
Deze winkel is vrij goedkoop.

