Vocabulario
28 palabras · página 1 de 2
gaanA1
ir
Ik ga morgen naar Amsterdam.
gangA1
pasillo
Zet je schoenen in de gang.
garageA1
garaje
De fiets staat in de garage.
gauwA1
pronto
Tot gauw!
gebakA1
pastel
Bij de koffie was er gebak.
geelA1
amarillo
De bloemen in de tuin zijn geel.
geenA1
ningún
Ik heb geen tijd.
gelijkA1
razón; igual
Je hebt gelijk.
gelovenA1
creer
Ik geloof je wel.
gelukA1
suerte, felicidad
Veel geluk met je nieuwe baan!
genoegA1
suficiente
Er is genoeg eten voor iedereen.
gereedschapA1
herramientas
Het gereedschap ligt in de schuur.
getalA1
número (cifra)
Schrijf het getal in cijfers.
getrouwdA1
casado
Zij is al tien jaar getrouwd.
gevenA1
dar
Geef mij het zout, alsjeblieft.
gezichtA1
cara
Was je gezicht met koud water.
gezinA1
familia (núcleo)
Ons gezin bestaat uit vier personen.
gisterenA1
ayer
Gisteren was ik ziek.
glasA1
vaso
Mag ik een glas water?
goedA1
bueno
Het gaat goed met mij.
goedemorgenA1
buenos días
Goedemorgen, komt u binnen.
goedenavondA1
buenas noches
Goedenavond, komt u binnen.
goedendagA1
buenos días
Goedendag, waarmee kan ik u helpen?
gootsteenA1
fregadero
De vuile borden staan in de gootsteen.
graagA1
con gusto
Ik drink graag koffie.

