Je EigenRoute
EntrarRegistrarse

Vocabulario

21 palabras · página 1 de 1

  • factuurA2

    factura

    De factuur moet binnen 14 dagen betaald worden.

  • familieA1

    familia

    Mijn familie komt zondag eten.

  • familiebezoekA1

    visita familiar

    Zondag hebben we familiebezoek.

  • familielidA1

    familiar

    Er komt een familielid op bezoek.

  • februariA1

    febrero

    In februari is het meestal koud.

  • feestA1

    fiesta

    Zaterdag is er een feest.

  • fietsA2

    bicicleta

    In Nederland gaat bijna iedereen met de fiets.

  • fietsenA1

    ir en bici

    Ik fiets elke dag naar school.

  • fietsenstallingA2

    aparcamiento de bicis

    Zet je fiets in de fietsenstalling.

  • fietspompA2

    bomba de bici

    Heb je een fietspomp voor me?

  • fietsrouteA2

    ruta ciclista

    Deze fietsroute gaat door het bos.

  • fietsslotA2

    candado de bici

    Vergeet je fietsslot niet.

  • fietsverhuurA2

    alquiler de bicis

    Bij het station is een fietsverhuur.

  • filmA1

    película

    We kijken vanavond een film.

  • flesA1

    botella

    Er staat een fles wijn op tafel.

  • flesjeA2

    botellita

    Neem een flesje water mee.

  • fotoA1

    foto

    Dit is een foto van mijn familie.

  • foutA1

    error; incorrecto

    Ik heb een fout gemaakt.

  • fruitA2

    fruta

    Op mijn werk staat er altijd fruit.

  • functieA2

    puesto

    In welke functie werk je?

  • functietitelA2

    título del puesto

    Wat is je functietitel precies?