Je EigenRoute
EntrarRegistrarse

Vocabulario

10 palabras · página 1 de 1

  • familieA1

    familia

    Mijn familie komt zondag eten.

  • familiebezoekA1

    visita familiar

    Zondag hebben we familiebezoek.

  • familielidA1

    familiar

    Er komt een familielid op bezoek.

  • februariA1

    febrero

    In februari is het meestal koud.

  • feestA1

    fiesta

    Zaterdag is er een feest.

  • fietsenA1

    ir en bici

    Ik fiets elke dag naar school.

  • filmA1

    película

    We kijken vanavond een film.

  • flesA1

    botella

    Er staat een fles wijn op tafel.

  • fotoA1

    foto

    Dit is een foto van mijn familie.

  • foutA1

    error; incorrecto

    Ik heb een fout gemaakt.