Vocabulario
20 palabras · página 1 de 1
factuurA2
factura
De factuur moet binnen 14 dagen betaald worden.
familieA1
familia
Mijn familie komt zondag eten.
familiebezoekA1
visita familiar
Zondag hebben we familiebezoek.
familielidA1
familiar
Er komt een familielid op bezoek.
februariA1
febrero
In februari is het meestal koud.
feestA1
fiesta
Zaterdag is er een feest.
fietsA2
bicicleta
In Nederland gaat bijna iedereen met de fiets.
fietsenstallingA2
aparcamiento de bicis
Zet je fiets in de fietsenstalling.
fietspompA2
bomba de bici
Heb je een fietspomp voor me?
fietsrouteA2
ruta ciclista
Deze fietsroute gaat door het bos.
fietsslotA2
candado de bici
Vergeet je fietsslot niet.
fietsverhuurA2
alquiler de bicis
Bij het station is een fietsverhuur.
filmA1
película
We kijken vanavond een film.
flesA1
botella
Er staat een fles wijn op tafel.
flesjeA2
botellita
Neem een flesje water mee.
fotoA1
foto
Dit is een foto van mijn familie.
foutA1
error; incorrecto
Ik heb een fout gemaakt.
fruitA2
fruta
Op mijn werk staat er altijd fruit.
functieA2
puesto
In welke functie werk je?
functietitelA2
título del puesto
Wat is je functietitel precies?

