Vocabulario
Filtros2
Secciones
Categorías gramaticales
79 palabras · página 1 de 4
faalangstB2
miedo al fracaso
Door faalangst presteert hij onder zijn niveau.
factcheckB2
verificación de datos
Na een factcheck bleek de bewering onjuist.
factuurA2
factura
De factuur moet binnen 14 dagen betaald worden.
factuurnummerB2
número de factura
Vermeld altijd het factuurnummer bij de betaling.
faculteitB2
facultad
Hij studeert aan de faculteit rechten.
faillissementB2
quiebra
Na het faillissement verloren dertig mensen hun baan.
familieA1
familia
Mijn familie komt zondag eten.
familiebezoekA1
visita familiar
Zondag hebben we familiebezoek.
familielidA1
familiar
Er komt een familielid op bezoek.
februariA1
febrero
In februari is het meestal koud.
feestA1
fiesta
Zaterdag is er een feest.
feestdagB1
día festivo
Op feestdagen zijn de winkels dicht.
feitB2
hecho
Scheid feiten van meningen.
feitencheckB2
verificación de datos
Na de feitencheck bleek de claim onjuist.
felicitatieB2
felicitación
Mijn felicitaties met je diploma.
festivalB1
festival
Elke zomer is er een festival in het park.
fietsA2
bicicleta
In Nederland gaat bijna iedereen met de fiets.
fietsenstallingA2
aparcamiento de bicis
Zet je fiets in de fietsenstalling.
fietspadB1
carril bici
Fiets alsjeblieft op het fietspad.
fietspompA2
bomba de bici
Heb je een fietspomp voor me?
fietsrouteA2
ruta ciclista
Deze fietsroute gaat door het bos.
fietsslotA2
candado de bici
Vergeet je fietsslot niet.
fietsstrookB2
carril bici
De fietsstrook is te smal.
fietstochtB2
ruta en bicicleta
De fietstocht is veertig kilometer lang.
fietstunnelB1
túnel para bicis
Neem de fietstunnel onder het spoor door.

