Vocabulario
17 palabras · página 1 de 1
echtA1
de verdad, real
Is dat echt waar?
echtgenootA1
esposo
Haar echtgenoot werkt in het buitenland.
eergisterenA1
anteayer
Eergisteren was ik bij de dokter.
eerstA1
primero
Ik ga eerst douchen.
eersteA1
primero
Dit is mijn eerste dag hier.
eiA1
huevo
Ik eet 's ochtends een ei.
elfA1
once
De winkel sluit om elf uur.
elkaarA1
el uno al otro
We helpen elkaar.
elleboogA1
codo
Ik heb mijn elleboog gestoten.
emmerA1
cubo
Vul de emmer met water.
enA1
y
Ik neem brood en kaas.
enkelA1
tobillo
Ik heb mijn enkel verzwikt.
envelopA1
sobre
Doe de brief in een envelop.
ergA1
muy; grave
Dat is erg vervelend.
erwtA1
guisante
Erwtensoep is een Nederlands wintergerecht.
etenA1
comida
Nederlands eten is soms heel simpel.
evenA1
un momento
Wacht even, ik kom eraan.

