Vocabulario
23 palabras · página 1 de 1
echtA1
de verdad, real
Is dat echt waar?
de echtgenootA1
esposo
Haar echtgenoot werkt in het buitenland.
eergisterenA1
anteayer
Eergisteren was ik bij de dokter.
eerstA1
primero, en primer lugar
Ik ga eerst douchen.
eersteA1
primero
Dit is mijn eerste dag hier.
het eiA1
huevo
Ik eet 's ochtends een ei.
eigenlijkA1
en realidad
Eigenlijk vind ik het geen goed idee.
het eilandA1
isla
Het eiland is per veerboot bereikbaar.
elfA1
once
De winkel sluit om elf uur.
elkA1
cada (elk)
Elk kind krijgt een klein cadeautje van de juf.
elkaarA1
el uno al otro
We helpen elkaar.
de elleboogA1
codo
Ik heb mijn elleboog gestoten.
de emmerA1
cubo
Vul de emmer met water.
enA1
y
Ik neem brood en kaas.
de energieA1
energía
De prijzen voor energie zijn gestegen.
het EngelsA1
inglés (idioma)
Mijn kinderen spreken thuis Nederlands en op school Engels.
de enkelA1
tobillo
Ik heb mijn enkel verzwikt.
único, alguno; solo
Er is geen enkele reden om je zorgen te maken.
de envelopA1
sobre
Doe de brief in een envelop.
ergA1
muy; grave
Dat is erg vervelend.
de erwtA1
guisante
In de soep zitten erwten en wortels.
etenA1irregular
at · aten · hebben gegeten
comer
Wij eten meestal om zes uur.
het eten
comida
Nederlands eten is soms heel simpel.
de euroA1
euro
De euro is in twintig landen betaalmiddel.
evenA1
un momento
Wacht even, ik kom eraan.

