Vocabulario
18 palabras · página 1 de 1
echtA1
de verdad, real
Is dat echt waar?
echtgenootA1
esposo
Haar echtgenoot werkt in het buitenland.
eerstA1
primero
Ik ga eerst douchen.
eetgewoonteA2
hábito alimentario
Mijn eetgewoontes zijn hier veranderd.
eetlustA2
apetito
Door de koorts heb ik geen eetlust.
eiA1
huevo
Ik eet 's ochtends een ei.
eindtoetsA2
prueba final
De eindtoets is in juni.
elektriciteitA2
electricidad
De elektriciteit is vanochtend uitgevallen.
elleboogA1
codo
Ik heb mijn elleboog gestoten.
emmerA1
cubo
Vul de emmer met water.
energielabelA2
certificado energético
Dit huis heeft energielabel C.
enkelA1
tobillo
Ik heb mijn enkel verzwikt.
envelopA1
sobre
Doe de brief in een envelop.
ervaringA2
experiencia
Voor deze functie is ervaring nodig.
erwtA1
guisante
Erwtensoep is een Nederlands wintergerecht.
etenA1
comida
Nederlands eten is soms heel simpel.
etiketA2
etiqueta
Kijk even op het etiket.
examendatumA2
fecha del examen
De examendatum staat nog niet vast.

