Je EigenRoute
EntrarRegistrarse

Vocabulario

16 palabras · página 1 de 1

  • dansenA2

    bailar

    Op het feest werd er gedanst.

  • deelnemenB1

    participar

    Iedereen kan aan de cursus deelnemen.

  • delegerenB1

    delegar

    Een goede leidinggevende kan delegeren.

  • delenA1

    compartir, dividir

    We delen de kosten samen.

  • denkenA1

    pensar

    Ik denk dat het goed komt.

  • doenA1

    hacer

    Wat doe je in het weekend?

  • doorgevenB1

    transmitir

    Kun je dat aan je collega doorgeven?

  • doorverbindenB1

    pasar la llamada

    Ik verbind u door met de juiste afdeling.

  • doorverwijzenB1

    derivar

    De huisarts verwees mij door naar het ziekenhuis.

  • downloadenA2

    descargar

    Download de app op je telefoon.

  • dragenA1

    llevar (puesto); cargar

    Hij draagt een zwarte jas.

  • drinkenA1

    beber

    Wat wil je drinken?

  • dromenA1

    soñar

    Ik droomde vannacht over mijn familie.

  • durenA2

    durar

    Hoe lang duurt de les?

  • durvenA1

    atreverse

    Ik durf het niet te vragen.

  • dweilenA2

    fregar el suelo

    De vloer moet nog gedweild worden.