Vocabulario
56 palabras · página 1 de 3
de dagA1
día
Elke dag ga ik naar mijn werk.
hola; adiós
Dag mevrouw, kan ik u helpen?
het dagelijksA1
diariamente
Ik oefen dagelijks een half uur.
het dakA2
tejado
Het dak lekt bij zware regen.
de dameA2
dama, señora
De dame achter de balie helpt u graag verder.
de dansA2
baile
Op de bruiloft deed iedereen mee aan de dans.
de datumA1
fecha
Wat is de datum van vandaag?
de deadlineA2
fecha límite
De deadline is vrijdag.
het debatA2
debate
Het debat werd live uitgezonden.
decemberA1
diciembre
In december zijn er veel feestdagen.
het deelA1
parte
Het eerste deel van de cursus is klaar.
de deelnemerB1
participante
Elke deelnemer krijgt na de cursus een certificaat.
de deeltijdB1
tiempo parcial
Ze werkt in deeltijd, drie dagen per week.
het dekbedA1
edredón
In de winter gebruik ik een dik dekbed.
de democratieA2
democracia
In een democratie telt elke stem.
de deskundigheidB1
pericia
Voor dit werk is veel deskundigheid nodig.
het detailB1
detalle
Hij vertelde het verhaal tot in elk detail.
de deurA1
puerta
Doe je de deur even dicht?
de deurmatA2
felpudo
Veeg je voeten op de deurmat.
de dialoogB1
diálogo
Oefen de dialoog met een medecursist.
het dieetA2
dieta
Hij volgt een streng dieet.
de dienstB1
servicio; turno
Zij heeft vandaag dienst in het ziekenhuis.
de dienstregelingA2
horario (de transporte)
De dienstregeling verandert in december.
het dienstverbandA2
vínculo laboral, contrato
Zij heeft een vast dienstverband.
de dienstverleningB1
prestación de servicios
Onze dienstverlening moet klantvriendelijker.
het dierA1
animal
In het park zie je veel dieren.

