Vocabulario
41 palabras · página 1 de 2
de dagA1
día
Elke dag ga ik naar mijn werk.
hola; adiós
Dag mevrouw, kan ik u helpen?
het dagelijksA1
diariamente
Ik oefen dagelijks een half uur.
het dakA2
tejado
Het dak lekt bij zware regen.
de dameA2
dama, señora
De dame achter de balie helpt u graag verder.
de dansA2
baile
Op de bruiloft deed iedereen mee aan de dans.
de datumA1
fecha
Wat is de datum van vandaag?
de deadlineA2
fecha límite
De deadline is vrijdag.
het debatA2
debate
Het debat werd live uitgezonden.
decemberA1
diciembre
In december zijn er veel feestdagen.
het deelA1
parte
Het eerste deel van de cursus is klaar.
het dekbedA1
edredón
In de winter gebruik ik een dik dekbed.
de democratieA2
democracia
In een democratie telt elke stem.
de deurA1
puerta
Doe je de deur even dicht?
de deurmatA2
felpudo
Veeg je voeten op de deurmat.
het dieetA2
dieta
Hij volgt een streng dieet.
de dienstregelingA2
horario (de transporte)
De dienstregeling verandert in december.
het dienstverbandA2
vínculo laboral, contrato
Zij heeft een vast dienstverband.
het dierA1
animal
In het park zie je veel dieren.
de DigiDA2
identidad digital estatal
Met DigiD log je in bij de overheid.
het dingA1
cosa
Wat is dat voor een ding?
de dinsdagA1
martes
Dinsdag heb ik een afspraak.
de directeurA2
director (de una empresa, escuela)
De directeur van de school spreekt met de ouders.
de discriminatieA2
discriminación
Discriminatie op de arbeidsmarkt komt nog steeds voor.
de discussieA2
discusión
De discussie liep hoog op.
de dochterA1
hija
Onze dochter is vijf jaar oud.

