Vocabulario
34 palabras · página 1 de 2
daarnaastA2
además
Daarnaast volg ik een cursus.
daaromA2
por eso
Het regende, daarom bleef ik thuis.
dagA1
día
Elke dag ga ik naar mijn werk.
dagelijksA1
diariamente
Ik oefen dagelijks een half uur.
dakA2
tejado
Het dak lekt bij zware regen.
dankjewelA1
gracias
Dankjewel voor je hulp.
datumA1
fecha
Wat is de datum van vandaag?
deadlineA2
fecha límite
De deadline is vrijdag.
decemberA1
diciembre
In december zijn er veel feestdagen.
deelA2
parte
Het eerste deel van de cursus is klaar.
dekbedA1
edredón
In de winter gebruik ik een dik dekbed.
deurA1
puerta
Doe je de deur even dicht?
deurmatA2
felpudo
Veeg je voeten op de deurmat.
dichtA1
cerrado
Op zondag zijn de winkels dicht.
dieetA2
dieta
Hij volgt een streng dieet.
dienstregelingA2
horario (de transporte)
De dienstregeling verandert in december.
dienstverbandA2
relación laboral
Zij heeft een vast dienstverband.
dikA1
grueso
Trek een dikke jas aan.
dingA1
cosa
Wat is dat voor een ding?
dinsdagA1
martes
Dinsdag heb ik een afspraak.
dochterA1
hija
Onze dochter is vijf jaar oud.
doekA1
trapo
Veeg de tafel af met een doek.
doelA2
objetivo
Wat is het doel van deze cursus?
dokterA1
médico
Ik ga morgen naar de dokter.
donderdagA1
jueves
De les is op donderdagavond.

