Vocabulario
Filtros1
Secciones
Categorías gramaticales
78 palabras · página 2 de 4
dialoogB1
diálogo
Oefen de dialoog met een medecursist.
dichtA1
cerrado
Op zondag zijn de winkels dicht.
dichtbijA1
cerca
De school is heel dichtbij.
dieetA2
dieta
Hij volgt een streng dieet.
dienstregelingA2
horario (de transporte)
De dienstregeling verandert in december.
dienstverbandA2
relación laboral
Zij heeft een vast dienstverband.
dienstverleningB1
prestación de servicios
Onze dienstverlening moet klantvriendelijker.
dierB1
animal
In het park zie je veel dieren.
dijkB1
dique
Nederland wordt beschermd door dijken.
dikA1
grueso
Trek een dikke jas aan.
dingA1
cosa
Wat is dat voor een ding?
dinsdagA1
martes
Dinsdag heb ik een afspraak.
diplomaB1
diploma
Mijn diploma is hier erkend.
directB1
directo
Nederlanders zijn vaak heel direct.
docentB1
profesor
De docent legt de opdracht nog een keer uit.
dochterA1
hija
Onze dochter is vijf jaar oud.
doeiA1
chao
Doei, tot morgen!
doekA1
trapo
Veeg de tafel af met een doek.
doelA2
objetivo
Wat is het doel van deze cursus?
doelstellingB1
objetivo
We hebben onze doelstelling gehaald.
doenA1
hacer
Wat doe je in het weekend?
dokterA1
médico
Ik ga morgen naar de dokter.
doktersadviesB1
consejo médico
Volg het doktersadvies goed op.
doktersbezoekB1
visita al médico
Na het doktersbezoek voelde ik me gerustgesteld.
donderdagA1
jueves
De les is op donderdagavond.

