Vocabulario
Filtros1
Secciones
Categorías gramaticales
78 palabras · página 1 de 4
daarA1
allí
Daar staat mijn fiets.
daarnaA2
después
Eerst eten we, daarna gaan we wandelen.
daarnaastA2
además
Daarnaast volg ik een cursus.
daaromA2
por eso
Het regende, daarom bleef ik thuis.
dagA1
día
Elke dag ga ik naar mijn werk.
dagelijksA1
diariamente
Ik oefen dagelijks een half uur.
dakA2
tejado
Het dak lekt bij zware regen.
danA1
entonces, luego
Eerst eten, dan afwassen.
dankjewelA1
gracias
Dankjewel voor je hulp.
dansenA2
bailar
Op het feest werd er gedanst.
datumA1
fecha
Wat is de datum van vandaag?
deadlineA2
fecha límite
De deadline is vrijdag.
decemberA1
diciembre
In december zijn er veel feestdagen.
deelA2
parte
Het eerste deel van de cursus is klaar.
deelnemenB1
participar
Iedereen kan aan de cursus deelnemen.
deeltijdB1
tiempo parcial
Ze werkt in deeltijd, drie dagen per week.
dekbedA1
edredón
In de winter gebruik ik een dik dekbed.
delegerenB1
delegar
Een goede leidinggevende kan delegeren.
delenA1
compartir, dividir
We delen de kosten samen.
denkenA1
pensar
Ik denk dat het goed komt.
derdeA1
tercero
Wij wonen op de derde verdieping.
dertigA1
treinta
Ik ben dertig jaar oud.
deskundigheidB1
pericia
Voor dit werk is veel deskundigheid nodig.
deurA1
puerta
Doe je de deur even dicht?
deurmatA2
felpudo
Veeg je voeten op de deurmat.

