Je EigenRoute
EntrarRegistrarse

Vocabulario

81 palabras · página 1 de 4

  • baanA2

    trabajo

    Zij heeft een nieuwe baan gevonden.

  • baasA2

    jefe

    Mijn baas is vandaag afwezig.

  • babyA1

    bebé

    De baby slaapt nu.

  • badkamerA1

    cuarto de baño

    De badkamer is boven.

  • badkuipA2

    bañera

    In deze badkamer staat geen badkuip.

  • bagageA2

    equipaje

    Laat je bagage niet alleen achter.

  • bakkerA2

    panadería

    Ik haal brood bij de bakker.

  • balkonA2

    balcón

    Op het balkon staan planten.

  • banaanA1

    plátano

    Wil je een banaan?

  • bandA2

    neumático

    Mijn band is lek.

  • bangA2

    asustado

    Ik ben bang voor honden.

  • bankA2

    banco

    Ik heb een rekening bij deze bank.

  • bankrekeningA2

    cuenta bancaria

    Je hebt een bankrekening nodig voor je salaris.

  • batterijA1

    pila

    De batterij is leeg.

  • bedA1

    cama

    Ik ga vroeg naar bed.

  • bedragA2

    importe

    Het bedrag staat onderaan de rekening.

  • bedrijfA2

    empresa

    Zij werkt bij een groot bedrijf.

  • bedrijfskledingA2

    ropa de trabajo

    De bedrijfskleding krijg je van je werkgever.

  • bedrijfsregelsA2

    normas de la empresa

    Lees de bedrijfsregels op je eerste werkdag.

  • bedrijfsuitjeA2

    salida de empresa

    Volgende maand is het bedrijfsuitje.

  • beenA1

    pierna

    Hij heeft zijn been gebroken.

  • belA1

    timbre

    De bel doet het niet.

  • belastingA2

    impuesto

    Je moet elk jaar belasting aangeven.

  • benzineA2

    gasolina

    De benzine is weer duurder geworden.

  • bereidingstijdA2

    tiempo de preparación

    De bereidingstijd is twintig minuten.