Vocabulario
109 palabras · página 3 de 5
bezemA1
escoba
Pak even de bezem.
bezetA1
ocupado
Deze plaats is bezet.
bezigA2
ocupado
Ik ben nu even bezig.
bezoekA1
visita
We krijgen vanavond bezoek.
bezoekenA2
visitar
We bezoeken zondag mijn ouders.
bezoekuurA2
horario de visitas
Het bezoekuur is van twee tot vier.
bezorgenA2
entregar
Ze bezorgen het pakket morgen.
bezorgkostenA2
gastos de envío
Boven de dertig euro betaal je geen bezorgkosten.
bijA1
en casa de, cerca de
Ik ben bij de dokter.
bijbaanA2
trabajo secundario
Naast mijn studie heb ik een bijbaan.
bijnaA2
casi
Ik ben bijna klaar.
bijvoorbeeldA2
por ejemplo
Neem bijvoorbeeld de bus van acht uur.
biljetA2
billete
Kunt u dit biljet van vijftig wisselen?
binnenA1
dentro
Kom binnen, het is koud buiten.
biologischA2
ecológico
Deze groente is biologisch geteeld.
bitterA2
amargo
Zwarte koffie smaakt bitter.
blauwA1
azul
De lucht is vandaag blauw.
blessureA2
lesión
Door een blessure kan hij niet sporten.
blijA2
contento
Ik ben blij met het resultaat.
blijvenA2
quedarse
Blijf je vanavond eten?
blikjeA2
lata
In de koelkast staat nog een blikje.
bloedA2
sangre
Ze hebben mijn bloed onderzocht.
bloeddrukA2
tensión arterial
De dokter meet eerst uw bloeddruk.
bloemkoolA1
coliflor
Vanavond eten we bloemkool.
boekA1
libro
Ik lees elke avond een boek.

