Je EigenRoute
EntrarRegistrarse

Vocabulario

474 palabras · página 10 de 19

  • betrouwbaarheidB2

    fiabilidad

    De betrouwbaarheid van de cijfers is betwist.

  • betrouwbaarheidsintervalB2

    intervalo de confianza

    Het betrouwbaarheidsinterval is breed.

  • beugelB2

    aparato dental

    Zij draagt sinds een jaar een beugel.

  • beukB2

    haya

    In het beukenbos is het schemerig.

  • beursgangB2

    salida a bolsa

    De beursgang is uitgesteld.

  • beurtwisselingB2

    alternancia de turnos

    In een goed gesprek verloopt de beurtwisseling vanzelf.

  • bevallingA2

    parto

    De bevalling verliep zonder problemen.

  • beveiligerB2

    vigilante de seguridad

    De beveiliger controleert de tassen.

  • beveiligingsdienstB2

    servicio de seguridad

    De beveiligingsdienst is 's nachts aanwezig.

  • bevestigenB1

    confirmar

    Kunt u de afspraak per mail bevestigen?

  • bevestigingB2

    confirmación

    U krijgt een bevestiging per e-mail.

  • bevoegdheidB2

    competencia, atribución

    Dat valt buiten mijn bevoegdheid.

  • bevolkingB2

    población

    Een derde van de bevolking doet vrijwilligerswerk.

  • bevolkingsdichtheidB2

    densidad de población

    De bevolkingsdichtheid is hier het hoogst.

  • bevolkingsgroeiB2

    crecimiento demográfico

    De bevolkingsgroei komt vooral door migratie.

  • bevolkingssamenstellingB2

    composición de la población

    De bevolkingssamenstelling van de stad is sterk veranderd.

  • bevrijdingB2

    liberación

    De bevrijding kwam in mei 1945.

  • bevrijdingsdagB2

    Día de la Liberación

    Bevrijdingsdag valt op 5 mei.

  • bewaartemperatuurB2

    temperatura de conservación

    De bewaartemperatuur is maximaal zeven graden.

  • bewarenA2

    guardar

    Bewaar deze brief goed.

  • beweegnormB2

    recomendación de actividad física

    Nog geen helft van de bevolking haalt de beweegnorm.

  • beweegprogrammaB1

    programa de ejercicio

    Het beweegprogramma duurt acht weken.

  • bewegenB1

    moverse, hacer ejercicio

    Probeer elke dag genoeg te bewegen.

  • bewegingsprogrammaB2

    programa de ejercicio

    Het bewegingsprogramma duurt twaalf weken.

  • bewerenB2

    afirmar

    Hij beweert dat hij niets wist.