Vocabulario
Filtros1
Secciones
Categorías gramaticales
99 palabras · página 1 de 4
aanA1
en, a
De foto hangt aan de muur.
aanbevelingB1
recomendación
Zij schreef een aanbeveling voor mij.
aanbiedenA2
ofrecer
Zij bood aan om te helpen.
aanbiedingA2
oferta
De kaas is in de aanbieding.
aanbodA2
oferta, surtido
Het aanbod in deze winkel is groot.
aandachtB1
atención
Besteed extra aandacht aan de uitspraak.
aandringenB1
insistir
Hij bleef aandringen op een antwoord.
aangifteB1
denuncia, declaración
Doe aangifte bij de politie.
aangifteformulierB1
formulario de declaración
Het aangifteformulier vind je online.
aanhefB1
encabezamiento
Gebruik als aanhef 'Geachte heer/mevrouw'.
aankomenA2
llegar
Wij komen om acht uur aan.
aankomstB1
llegada
De aankomst is rond middernacht.
aankomsthalA2
sala de llegadas
Ik wacht op je in de aankomsthal.
aankomsttijdA2
hora de llegada
De aankomsttijd staat op je kaartje.
aankoopA2
compra
Bewaar de bon van je aankoop.
aanmaningB1
requerimiento de pago
Na de herinnering volgt een aanmaning.
aanmeldenB1
darse de alta
U kunt zich online aanmelden.
aanpassenA2
adaptar(se)
Je moet je aanpassen aan de nieuwe regels.
aanradenB1
recomendar
Ik raad je aan om vroeg te komen.
aanrakenA2
tocar
Raak de hete pan niet aan.
aanspreekpuntB1
persona de contacto
Zij is het aanspreekpunt voor nieuwe cursisten.
aanspreekvormB1
forma de tratamiento
In een formele brief gebruik je de aanspreekvorm 'u'.
aansprekenB1
dirigirse a, llamar la atención
Ik durfde hem er niet op aan te spreken.
aanstellingA2
nombramiento
Zij kreeg een vaste aanstelling.
aansturenB1
dirigir
Zij stuurt een team van acht mensen aan.

