Vocabulario
7 palabras · página 1 de 1
aanbiedenA2
ofrecer
Zij bood aan om te helpen.
aankomenA2
llegar
Wij komen om acht uur aan.
aanpassenA2
adaptar(se)
Je moet je aanpassen aan de nieuwe regels.
aanrakenA2
tocar
Raak de hete pan niet aan.
afrekenenA2
pagar (en caja)
Ik ga even afrekenen.
afwassenA2
fregar los platos
Wie wast er vanavond af?
antwoordenA2
responder
Hij antwoordde niet op mijn vraag.

