Vocabulario
16 palabras · página 1 de 1
aardappelA1
patata
We eten vanavond aardappelen.
aardbeiA1
fresa
In juni zijn de aardbeien het lekkerst.
achterA1
detrás
De tuin ligt achter het huis.
achterdeurA1
puerta trasera
Via de achterdeur kom je in de tuin.
ademA1
aliento
Haal even diep adem.
adresA1
dirección
Schrijf hier je adres op.
allebeiA1
ambos
Wij werken allebei fulltime.
allemaalA1
todos
We gaan allemaal mee.
apartA1
por separado
We betalen apart.
appelA1
manzana
Ik neem een appel mee naar mijn werk.
aprilA1
abril
In april bloeien de bloemen.
armA1
brazo
Mijn arm is stijf.
augustusA1
agosto
Augustus is vaak de warmste maand.
autoA1
coche
Onze auto staat voor de deur.
avondA1
noche (temprana)
's Avonds kijk ik televisie.
azijnA1
vinagre
Doe wat azijn in de salade.

