Vocabulario
9 palabras · página 1 de 1
pauzeA2
descanso
We hebben om twaalf uur pauze.
personeelA2
personal
Het restaurant zoekt nieuw personeel.
personeelsgesprekB1
entrevista de personal
Het personeelsgesprek duurt een half uur.
personeelslidB1
miembro del personal
Elk personeelslid krijgt een eigen pas.
ploegendienstA2
trabajo por turnos
Hij werkt in ploegendienst.
presterenB1
rendir
Onder druk presteert hij juist beter.
prioriteitB1
prioridad
Dit project heeft de hoogste prioriteit.
proeftijdB1
periodo de prueba
De proeftijd duurt één maand.
promotieB1
ascenso
Zij heeft promotie gekregen.

