Je EigenRoute
EntrarRegistrarse

Vocabulario

23 palabras · página 1 de 1

  • filiaalmanagerB2

    gerente de sucursal

    De filiaalmanager beslist over de roosters.

  • flexibelB2

    flexible

    We werken met flexibele werktijden.

  • flexibiliteitB1

    flexibilidad

    De baan vraagt veel flexibiliteit.

  • flexplekB2

    puesto flexible

    Er zijn geen vaste bureaus, alleen flexplekken.

  • flexwerkB2

    trabajo flexible

    Flexwerk komt vooral voor in de horeca.

  • freelancerB2

    autónomo

    Als freelancer bepaal je je eigen agenda.

  • functieA2

    puesto

    In welke functie werk je?

  • functie-eisB2

    requisito del puesto

    Een rijbewijs is een harde functie-eis.

  • functiedifferentiatieB2

    diferenciación de puestos

    Functiedifferentiatie maakt doorgroeien mogelijk.

  • functiegesprekB1

    entrevista de desempeño

    Volgende week heb ik mijn functiegesprek.

  • functieniveauB2

    nivel del puesto

    Het functieniveau bepaalt het salaris.

  • functieomschrijvingB1

    descripción del puesto

    Lees de functieomschrijving goed door.

  • functieontwikkelingB2

    desarrollo del puesto

    Er is ruimte voor functieontwikkeling binnen het team.

  • functieprofielB1

    perfil del puesto

    Het functieprofiel staat in de vacature.

  • functietitelA2

    título del puesto

    Wat is je functietitel precies?

  • functieveranderingB2

    cambio de puesto

    Na tien jaar wilde hij een functieverandering.

  • functievereisteB2

    requisito del puesto

    Een rijbewijs is een functievereiste.

  • functiewaarderingB2

    valoración del puesto

    Na de functiewaardering ging zijn salaris omhoog.

  • functiewijzigingB1

    cambio de puesto

    Na de functiewijziging kreeg hij andere taken.

  • functionerenB1

    desempeñarse

    Hij functioneert goed in het team.

  • functioneringsgesprekB2

    evaluación de desempeño

    Het functioneringsgesprek is één keer per jaar.

  • funderingB2

    cimentación

    De fundering van het huis verzakt.

  • fuserenB2

    fusionarse

    De twee scholen gaan fuseren.